© Henskens Fossils
& John v. Straaten
Een fossiel is elk bewijs van prehistorisch leven. Dit bewijs kan bestaan uit eigenlijke overblijfselen, zoals botten, tanden etc., maar ook afdrukken (van bladeren bijv.) en sporen van pootafdrukken.
Amphibian tracks


Paradoxides
gracilis
Paleontologie is de studie van fossielen. Dit wordt
vaak verward met archeologie, de studie van de opkomst van de mens en zijn
culturen. De paleontologie houdt zich bezig met de periode tussen het ontstaan
van het leven ongeveer 3,7 miljard jaar geleden tot de opkomst van de
menselijke cultuur ongeveer 10.000 jaar geleden.
Fossielen
hebben de mens generaties lang geïntrigeerd. Griekse wijsgeren beschouwden ze
als nogal vreemde, natuurlijke verschijnselen die in de aarde op dezelfde wijze
werden gevormd als kristallen. Maarten Luther (1483-1546), de voornaamste
grondlegger van de christelijke Reformatie, geloofde dat fossiele vondsten op
bergtoppen een bewijs vormden voor de bijbelse Zondvloed. Leonardo da Vinci
(1452-1519) opperde in zijn aantekenboeken (terecht) dat fossielen de versteende
resten waren van organismen die eens leefden. Zijn in die tijd ketterse
gezichtspunten werden verdonkeremaand (God zou nu eenmaal nooit zijn eigen
scheppingen uit laten sterven) tot zijn aantekeningen in de 19e eeuw werden
gepubliceerd.
Hoe ontstaat een fossiel?
Een
fossiel ontstaat als plantaardige of dierlijke resten niet door bacteriën
worden verteerd of door aaseters opgegeten, maar snel na hun dood door zand,
grond, vulkanische as, modder etc. worden begraven zodat er geen zuurstof meer
bij kan. Meestal kunnen alleen de harde delen van een organisme fossiliseren,
zoals het skelet. Slechts heel zelden fossiliseren zachtere delen.
De
volgende processen kunnen tot fossilisatie leiden:
1) Bedekking door zand, modder
etc. Dit is de meest voorkomende vorm. Hoe groter de druk van boven die
ontstaat als er steeds meer sedimenten bijkomen, hoe eerder een organisme tot
fossiel kan worden. De druk op de onderliggende laag kan zo groot worden, dat
deze zo hard als steen wordt.
2) Bevriezing. Een goed
voorbeeld daarvan zijn de compleet bewaarde mammoeten in de permafrost van
Siberië
.
3) Dehydratie. Dieren die in
droge grotten doodgaan kunnen opdrogen en duizenden jaren bewaard blijven.
4) Mineralisering. Hout en
botten blijven vaak bewaard doordat de originele cellulaire ruimtes zich vullen
met mineralen en kiezelzuur. Die worden vaak opgenomen uit het water waarin het
hout of bot is terechtgekomen, waardoor het ‘versteent’.
5) Desintegratie. Als een
begraven organisme zich toch ontbindt, kan er een ruimte ontstaan die dus een
mal is van het eigenlijke organisme.
6) Pseudomorfisme. Als een
dergelijke mal zich met mineralen vult, ontstaat een afgietsel van het
organisme.
Hoe wordt de ouderdom
vastgesteld?
Dit gebeurt meestal aan de hand van metingen van de
lood-uraniumverhouding in fossielen. Uranium vervalt zeer langzaam tot lood,
met een halveringstijd van vele miljoenen jaren. Dit betekent dat je door de
verhouding van de hoeveelheden van deze twee elementen te meten een
betrekkelijk nauwkeurige datering krijgt. De halverings- of halfwaardetijd is
de tijd die de helft van het radioactieve element nodig heeft om tot een
stabiel, niet-radioactief element te vervallen.
Ook de verhouding tussen andere radioactieve en
niet-radioactieve elementen kan worden gebruikt, bijv. tussen rubidium en strontium (waarbij rubidium vervalt tot
strontium) en kalium en argon (waarbij kalium vervalt tot argon). De helft van
uranium 238 vervalt in ongeveer 4,5 miljard jaar in lood 206, de helft van
uranium 235 in 704 miljoen jaar in lood 207, de helft van thorium 232 in 14
miljard jaar in lood 208, de helft van rubidium 87 in 49 miljard jaar in
strontium 87, de helft van kalium 40 in 1,25 miljard jaar in argon 40 en de
helft van koolstof in 5570 jaar in stikstof. Deze radioactieve stoffen zijn bij
het ontstaan van ons zonnestelsel gevormd (of worden nog steeds gevormd) en
bevinden zich in de atmosfeer. Dieren (en mensen) krijgen ze in minieme
hoeveelheden binnen met de lucht die ze inademen en met de planten die ze eten.
De verhoudingen tussen de radioactieve en niet-radioactieve elementen in de
atmosfeer is bekend. Die verhouding is dezelfde in een dier of plant zolang het
leeft. Als het echter sterft, worden deze stoffen niet meer opgenomen, en
begint het opgeslagen deel van de radioactieve stof te vervallen.
Om koolstof als voorbeeld te nemen: in 5570 jaar is
de koolstof voor de helft omgezet in stikstof. Voor de resterende hoeveelheid
koolstof geldt dat het weer 5570 jaar duurt voordat de helft ervan is omgezet
in stikstof. Er is nu nog een kwart van de oorspronkelijke hoeveelheid koolstof
over. Na nog eens 5570 jaar is er nog slecht 1/8 deel van het aanvangsvolume
over, dan 1/16, vervolgens 1/32 enz. Door de grote vervalsnelheid van koolstof
in stikstof is dit systeem slechts bruikbaar voor relatief kleine ouderdommen,
d.w.z. de laatste 70.000 jaar. Deze methode wordt veel gebruikt in de
archeologie.
Bovengenoemde methode wordt ook wel absolute
ouderdomsbepaling genoemd. Vaak wordt ook gebruik gemaakt van zgn. relatieve
ouderdomsbepaling. Hierbij wordt de ouderdom van een fossiel (ongeveer)
vastgesteld aan de hand van zgn. gidsfossielen uit dezelfde aardlaag. Dit zijn
dan fossielen die veelvuldig voorkomen (bijv. ammonieten en slakjes), maar
waarvan sommige soorten maar een betrekkelijk korte periode geleefd hebben. Als
een fossiele vis in dezelfde laag wordt gevonden als een ammoniet waarvan al
bekend is dat die alleen in het Boven-Krijt heeft geleefd, moet de vis ook in
het Boven-Krijt zijn gestorven.
Precambrium (4,6 mld jr – 542 mln jr)
De
meeste kosmologen zijn het erover eens dat het heelal ongeveer 15 miljard jaar
geleden is ontstaan. Alles bestond toen nog uit één brok, die zoveel massa had
dat hij op een gegeven moment explodeerde; de zgn. Oerknal of Big Bang. Een
zeer zwakke microgolfstraling, die vanuit alle richtingen uit het heelal komt,
is een overblijfsel uit deze periode. Ook zijn er andere aanwijzingen dat het
heelal ook nu nog in alle richtingen uitdijt.
De aarde is ongeveer 4,6 miljard
jaar oud. De maan en de planeten lijken dezelfde ouderdom te hebben. De zon
(een ster) is ouder, omdat die als eerste na de Oerknal is ontstaan. Uit de
overgebleven materie hebben zich daarna de aarde en andere hemellichamen
gevormd. De oudste gesteenten op aarde zijn vier miljard jaar oud. Het heeft
dus ongeveer 600 miljoen jaar geduurd voordat de aarde voldoende was afgekoeld
om de aardkorst te vormen. Die korst is op sommige plaatsen wel 60 km dik, op
andere plekken ook weer zo dun dat de lava (bij vulkanen) naar buiten stroomt.
Na het afkoelen van de aarde is
geologisch gezien heel snel leven ontstaan. De oudste levensvormen ontstonden
ongeveer 3,7 miljard jaar geleden. Uit chemische reacties in zeewater zijn op
onbekende manier ééncellige organismen ontstaan. Dit zijn zgn. Prokaryoten, die
nog geen celkern hadden. 2,1 Miljard jaar geleden verschijnen de zgn.
Eukaryoten, de eerste ééncelligen met celkern, waarin het erfelijk materiaal
(DNA) is geconcentreerd.
Hoe het leven is ontstaan zal wel niet te
achterhalen zijn. Maar het waarom is duidelijker. Alle voorwaarden zijn op
aarde aanwezig: voldoende zonlicht, de juiste temperatuur, en water. Het feit
dat de aarde leven bevat is eigenlijk gewoon toeval. Voor het ontstaan en de
ontwikkeling van leven is allereerst een stabiele moederster nodig (in ons
geval de zon), die miljarden jaren gestaag een vrijwel constante hoeveelheid
energie levert. Op een planeet die niet te dicht bij zo’n ster staat (anders is
het te warm) en ook niet te ver er vandaan (anders is het te koud), kan dan
leven ontstaan. De massa van de aarde is ook van groot belang. Als de aarde
kleiner was geweest, zou de aantrekkingskracht te klein zijn en zouden de
atmosferische gassen (incl. zuurstof) de ruimte instromen. Als de aarde groter
zou zijn, zou de aantrekkingskracht te groot zijn. De atmosfeer zou zo dicht
zijn dat het zonlicht er niet meer door zou komen. Verder is er ook nog een
reuzenplaneet als Jupiter nodig. Die zorgt ervoor dat rondzwervende kometen en
planetoïden zoveel mogelijk worden opgevangen, waardoor een kwetsbaar planeetje
als de aarde nog enigszins wordt beschermd. Ook onze maan is van belang. Zijn aantrekkingskracht
zorgt ervoor dat de stand van de aardas stabiel blijft.
Eéncelligen hebben zich bijna één
miljard jaar lang niet verder ontwikkeld, tot er aan het eind van het
Precambrium opeens meercelligen ontstonden. De eerste meercellige algen ontstonden
ongeveer 1,3 miljard jaar geleden, de eerste meercellige dieren ongeveer één
miljard jaar geleden. Dit komt waarschijnlijk omdat er toen pas voldoende
zuurstof aanwezig was voor ‘hogere’ levensvormen. Ten tijde van de ééncelligen
was de aarde nog zuurstofloos. De ééncelligen gaven echter zuurstof af
(fotosynthese; de cellen nemen uit de lucht of het water koolstofdioxide op,
zetten dit om in koolhydraten en geven als afvalprodukt zuurstof af). De
ozonlaag in onze atmosfeer is ook opgebouwd uit zuurstof (O3 i.p.v. O2), en heeft bij het ontstaan
van meercelligen waarschijnlijk ook een grote rol gespeeld, omdat ozon het
leven op aarde tegen ultraviolette straling van de zon beschermt.
Tegenwoordig wordt het Pre-Cambrium
ook wel in drie perioden verdeeld: het Hadaïcum is de periode van 4,6 tot 4
miljard jaar geleden, waarin er nog geen leven was en de gesteenten nog
vloeibaar waren. Het Archaïcum is de periode van 4 tot 2,5 miljard jaar
geleden, waarin zich continenten vormden en de eerste ééncelligen betrekkelijk
veelvuldig voorkomen. Het Proterozoïcum is de periode van 2,5 miljard tot 542
miljoen jaar geleden, de periode waarin ook meercelligen ontstaan.
Zo’n 542 miljoen jaar geleden vond er werkelijk een
explosie van nieuw leven plaats. Deze nieuwe periode wordt Cambrium genoemd.
Eukaryotes 
Cambrium (542 mln jr – 488 mln jr)
(Paradoxides gracilis)
In
het Cambrium bevinden zich op het noordelijk halfrond de continenten Laurentia
(bestaande uit het huidige Noord-Amerika), Baltica (Noord-Europa) en Siberia,
en op het zuidelijk halfrond het supercontinent Gondwana, dat het huidige
Afrika, Zuid-Amerika, Antarctica, Australië, China, India en Zuid-Europa omvat.
Grote landdelen staan onder water door overstromingen van de zee. Rond de polen
bevinden zich geen continenten.
Uit het Onder-Cambrium stammen de
eerste gewone en algemeen verspreide fossielen. De toen alleen nog in zee
levende dieren ontwikkelden pantsers en schalen (ter ondersteuning, en ter
bescherming tegen rovers). Hun overblijfselen blijven natuurlijk beter bewaard
dan de ‘zachte’ levensvormen uit het Precambrium.
In het water hadden zich reeds vele vormen van leven
ontwikkeld. De meeste dieren waren planteneters die van algen leefden. De
oceanen waren druk bevolkt met wieren, brachiopoden (vastzittende, op mossels
lijkende zeedieren), sponsen, wormen, stekelhuidigen, zeeslakken, kwallen,
schelpdieren en gesegmenteerde geleedpotigen, de zgn. trilobieten (zo genoemd
omdat hun lichaam uit drie delen, ‘lobben’, bestaat). Van alle leven waren de
trilobieten duidelijk de hoogst ontwikkelde dieren in deze wateren. Er zijn
meer dan 10.000 verschillende soorten bekend, in lengte variërend van 1 mm tot
meer dan een halve meter. Ze maakten toentertijd ongeveer 60 % van de fauna
uit.
In het Onder-Cambrium ontstaan de
eerste vissen. Dit zijn tevens de eerste chordaten (gewervelde dieren, dus met
een wervelkolom, waartoe ook de mens behoort). De wervelkolom diende als
hulpmiddel tegen het samendrukken, als aanhechtingsplaats voor de spieren, en
als ‘kapstok’ voor de organen in het lichaam.
De overgang van Cambrium naar
Ordovicium wordt gekenmerkt door het (bijna) uitsterven van veel diersoorten.
Vooral de trilobieten, tot dan toe dominant, moeten sterk inboeten en zullen
nooit meer hun grote veelzijdigheid behalen.
Ordovicium (488 mln jr – 444 mln jr)
(Mytrocystites)
Het
noordelijke deel van het huidige Midden-Europa splitst zich van Gondwana af en
voegt zich aan het eind van het Ordovicium met Baltica tot het huidige
Noord-Europa samen. Het huidige Zuid-Europa is nog deel van Gondwana, en ligt
tegen de zuidpool aan.
In het Ordovicium veroveren de
eerste organismen het land. De ondiepe zeeën van het Cambrium komen bij eb
droog te liggen, waardoor blauwwieren genoodzaakt zijn kortstondig op het land
te leven. Ze zijn in staat om in de getijdencyclus enkele uren de lucht en het
zonlicht te trotseren, meer niet. Maar ze hebben wel een belangrijke bijdrage
geleverd aan het ontstaan van het leven op het land.
Water is een mengsel van waterstof
en zuurstof. Door de waterstof uit het water te halen maakten de blauwwieren
zuurstof vrij, essentieel voor de productie van de energie die veel landdieren
in grote hoeveelheden nodig hebben. Ook kunnen ze stikstof, noodzakelijk voor
de vorming van eiwitten, uit de lucht halen. Eiwitten zijn de bouwstenen van
elk organisme. In het Ordovicium hebben de planten dankzij de blauwwieren het
land kunnen betreden. Zoutwaterplanten zijn naar zoet water verhuisd, en vanuit
het zoete water hebben de planten het land bereikt.
De overgang van het Ordovicium naar
Siluur wordt weer gekenmerkt door grote uitstervingen, waarschijnlijk
veroorzaakt door het verschuiven van de continenten rond de noord- en zuidpool.
Als de poolregionen door land bedekt worden (zoals de zuidpool tegenwoordig
door Antarctica), leidt dit tot zeer dikke en uitgebreide ijslagen, en een
verlaging van de zeespiegel. Dit heeft een soort koelkasteffect tot gevolg op
de oceanische en atmosferische circulatie, waardoor wereldwijd de temperaturen
teruglopen. Voor deze theorie spreken de mariene diersoorten die vooral in Europa
uit deze tijd zijn gevonden; de soortenrijkdom is klein en aangepast aan koud
water.
Siluur (444 mln jr – 416 mln jr)
(Koremagraptus)
Baltica
en Laurentia komen tegen elkaar aan te liggen en vormen het continent
Euramerika. Door deze ‘botsing’ worden de Caledonische bergruggen in
Scandinavië, het noorden van Groot-Brittannië en in Groenland gevormd.
De fauna van het Siluur verschilt
van die van het Ordovicium, meer door de aanwezigheid van nieuwe families en
geslachten dan door het verschijnen van volledig nieuwe diergroepen. Een
belangrijke ontwikkeling is het ontstaan van kaken. Voorheen hadden vissen wel
een mond, waarmee echter alleen voedsel naar binnen kon worden gezogen. De
ontwikkeling van kaken en tanden was een uiterst belangrijke innovatie voor de
gewervelden, want dat hield in dat ze veel meer soorten voedsel konden benutten
dan er beschikbaar waren voor de kaaklozen. Door de kaken, die vermoedelijk
zijn ontstaan uit de eerste rij kieuwbogen, konden ook veel carnivoren
(vleeseters) opkomen die op hun beurt hun prooi ertoe dwongen het
vluchtvermogen te verbeteren. De kaakloze vissen waren geheel of gedeeltelijk
bepantserd met benen platen. De ‘nieuwe’ vissen met kaken ontwikkelden
schubben.
In het Siluur vinden we de eerste
echte landplanten (tot 5 cm hoog), met watertransporterende vaten, een sterke
stengel en een wasachtige buitenlaag om waterverlies tegen te gaan. Ze zijn
echter nog aan het water verbonden door hun manier van voortplanten m.b.v.
sporen. De mannelijke kiemcellen kunnen alleen als er voldoende stromend water
aanwezig is naar de vrouwelijke kiemcellen van een andere plant ‘zwemmen’ en
deze bevruchten. Ook nu nog zijn er planten die van sporen gebruik maken, bijv.
de varens.
Ook de eerste diertjes wagen zich aan het eind van
het Siluur uit het water op het land: insecten (nog zonder vleugels) als
spinnen, duizendpoten en pissebedden. De eerste gewervelde dieren op het land
verschenen in het Devoon.
Devoon (416 mln jr – 360 mln jr)
(Left Devonian
Fish Gyroptychius)
In het Devoon ontstaan de eerste bomen, en de
planten ontwikkelen zaden, die door de wind verspreid worden, zodat ze voor hun
voortplanting niet meer afhankelijk zijn van water en het binnenland kunnen
veroveren. Maar het is vooral het tijdperk van de vissen. In deze periode steeg
de temperatuur, waardoor meren en rivieren gingen opdrogen. Sommige
zoetwatervissen stierven hierdoor uit, maar andere wisten zich met vlezige
vinlobben van de ene naar de andere poel te bewegen; met andere woorden, ze
gingen ‘lopen’. Het centrale gedeelte van de vin bestaat uit een met schubben
bedekte, gespierde en met bot versterkte lob.
Of het opdrogen van poelen de reden is geweest dat
sommige vissen het water verlieten is omstreden. Een recente theorie gaat ervan
uit dat deze vissen het land optrokken om te ontkomen aan de vele roofzuchtige
waterbewoners (haaien bijv., die zich in het Devoon ontwikkelen). Ook kan het
zijn dat ze het land opgingen omdat zich daar inmiddels vele insectensoorten
hadden ontwikkeld die deze vissen tot voedsel dienden. Deze zgn. lob- of
spiervinnige vissen waren de eerste vissen waarvan de zwemblaas tot longen
evolueerde.
De lobvinnigen worden in vijf groepen verdeeld, met
nog maar één huidige vertegenwoordiger, de Coelacanth. Van de Coelacanth (een
zoutwatervis) werd gedacht dat hij al miljoenen jaren geleden was uitgestorven,
tot er in 1938 in de buurt van Madagaskar een levende kolonie werd ontdekt. Wat
de lobvinnigen zo speciaal maakt is het feit dat ze als enige vissen botten in
de borst- en buikvinnen hebben die vergelijkbaar zijn met het opperarmbeen,
spaakbeen en ellepijp bij viervoetige dieren en de mens.
Uit de lobvinnigen ontwikkelden zich
de amfibieën. Amfibieën zoals kikkers en salamanders kunnen zowel op het land
als in het water leven, maar blijven o.a. door hun manier van voortplanting
toch aan het water gebonden; hun eieren worden namelijk in de vorm van dril in
het water gelegd. Ook blijven ze van water afhankelijk door hun huid. Hoewel ze
longen hebben, halen ze ook voor een groot deel adem door hun zachte, vochtige
huid. Ze moeten ervoor zorgen dat deze huid niet uitdroogt.
Reptielen hebben hier geen last van.
Zij ademen volledig met behulp van longen, en leggen eieren met een schaal.
Reptielen ontstonden echter pas in het Carboon.
De overgang van Devoon naar Carboon
wordt weer gekenmerkt door grote uitstervingen. Ongeveer 25 % van alle families
sterft uit. Van de ammonieten, vissen, amfibieën, koralen en trilobieten haalt
meer dan de helft van de families de overgang naar het Carboon niet.
Carboon (360 mln jr – 299 mln jr)
(Calamites)
Gondwana
en Euramerika naderen elkaar en komen tegen het eind van het Carboon met elkaar
in ‘botsing’, waardoor in het huidige Midden-Europa en Noord-Amerika grote
bergketens ontstaan.
Dit tijdperk wordt genoemd naar de
steenkool die in deze periode wordt gevormd. Het was een tijd met ondiepe,
warme zeeën. Op het land ontwikkelen de amfibieën zich verder, terwijl nu de
landplanten in alle vochtige streken groeien. Uit deze moerassige bossen, met
bomen tot wel 50 m hoog, zouden later de steenkoolafzettingen ontstaan. De
“logge” gepantserde vissen sterven uit, omdat de roofvissen (haaien e.d.) zich
verder ontwikkelen en snelheid en wendbaarheid een steeds grotere rol gaan
spelen. De eerste insecten met vleugels ontstaan in het Carboon.
Uit de amfibieën ontwikkelen zich nu
de reptielen. In het Boven-Carboon verspreidden ze zich snel over het land.
Door de verbeteringen aan hun tanden en kaken konden ze zich ontwikkelen tot
grotere en betere carnivoren, waardoor ze een grote druk uitoefenden op hun
prooidieren om een betere afweer te ontwikkelen of om harder te lopen. Ook de
ontwikkeling van eieren met een schaal heeft een grote rol gespeeld. De eieren
kunnen nu op het land worden gelegd, en het embryo is tegen uitdroging
beschermd.
De verbeteringen aan het
kauwapparaat stelden de reptielen ook in staat om planten te eten. De opkomst
van de herbivore (plantenetende) reptielen betekende ongetwijfeld een grote
stimulans voor de ontwikkeling van ecosystemen op het land. De planten werden
gedwongen afweermechanismen te ontwikkelen. Een taaie cuticula (buitenste
beschermende laag), bladeren met een waslaag, scherpe doorns en gifstoffen
ontstonden vermoedelijk in deze periode.
Maar de herbivoren konden ook een
positieve invloed op de planten hebben. Zaden met een taaie schil konden
opgegeten worden, onaangetast het spijsverteringskanaal van het dier passeren
en midden in een hoop mest, die een perfecte voeding was voor de plant, weer
worden uitgescheiden. Op deze manier konden de zaden over een groot gebied
worden verspreid.
Op hun beurt ontwikkelden zich
allerlei herbivoren die de verschillende in die tijd groeiende plantensoorten
konden eten, en er ontstond een even grote verscheidenheid aan carnivoren om op
de herbivoren te jagen. Zo ontwikkelde zich een heel complex netwerk van
evolutionaire interacties op het land.
(Paramblypteris)
Alle
continenten (behalve het huidige Azië) komen samen en vormen het supercontinent
Pangaea. Het huidige Midden-Europa ligt ter hoogte van de evenaar, terwijl het
huidige Afrika, India, Zuid-Amerika en Australië op het zuidelijk halfrond door
ijs worden bedekt. De amfibieën en reptielen verspreiden zich nu ook over
Gondwana.
In deze periode verschijnen vele
nieuwe insecten, zoals kevers en libellen, waarvan de laatste een vleugelspanwijdte
van 75 cm konden bereiken. Rivieren en plassen bevatten een verscheidenheid aan
vissen. Amfibieën tierden welig langs de oevers, maar werden reeds overschaduwd
door nieuwere, actievere reptielen.
Eén groep carnivore reptielen, de
cynodonten, had al duidelijk zoogdierachtige kenmerken. Zij konden als eerste
tegelijkertijd ademen en kauwen zonder zich te verslikken, omdat de neusgang
van de mondholte was gescheiden. Door het voedsel eerst te kauwen voor het door
te slikken wordt het spijsverteringsproces bespoedigd. Dit suggereert dat deze
dieren snel over energie moesten kunnen beschikken. Mogelijk gebruikten ze die
om hun eigen lichaamswarmte te produceren. Het waren in tegenstelling tot hun
voorgangers kleine dieren. Een klein dier met een groot oppervlak in verhouding
tot zijn lichaamsvolume zal snel warmte kwijtraken. Er zijn bewijzen dat
cynodonten behaard waren, zodat ze minder warmte verloren. Moderne zoogdieren
kenmerken zich door het bezit van haren, door de productie van lichaamswarmte (warmbloedigheid),
en doordat ze hun jongen voeden met melk uit melkklieren. De cynodonten, die
nog eieren legden, lijken de ontwikkeling tot echte zoogdieren dus voor
tweederde doorlopen te hebben.
Het einde van het Perm geeft het
einde van het Paleozoïcum (‘eerste leven’) aan, dat begon met het Cambrium.
Vele dieren en planten stierven uit, zoals de trilobieten, de reusachtige
schubbomen, de meeste paardestaarten en vele varens. Amfibieën en sommige
vissen ondergingen een drastische beperking. Dit hangt samen met uitzonderlijke
klimatologische veranderingen, o.a. ontstaan door het bewegen van de
continenten. In het Perm bewogen de zuidelijke landdelen zich noordelijker,
waardoor het daar warmer werd. De tweede oorzaak ligt ook in de botsende
continenten. Aan het einde van het Perm verenigden de grote landmassa’s zich
tot één supercontinent. Het gevolg was dat de grote, mobiele dieren zich overal
konden verspreiden, wat tot minder typen dieren leidde. Ook heeft recent
onderzoek aangetoond dat vulkanen in het huidige Siberië aan het eind van het
Perm grote hoeveelheden gesmolten steen hebben uitgestoten. Een gebied half zo
groot als Australië werd bedekt onder een 1,5 km dikke laag lava. De stroom
moet duizenden jaren hebben aangehouden en wereldwijd het klimaat hebben
beïnvloed.
De overgang van Perm naar Trias
wordt dus weer gekenmerkt door een grote ‘uitstervingsgolf’, waarbij meer dan
80 % van alle dier- en plantensoorten uitstierf. Het Trias is het begin van een
periode die Mesozoïcum (‘midden-leven’) wordt genoemd.
Trias (251 mln jr – 200 mln jr)
(Encrinus)
De
reptielen breiden zich in deze periode nog meer uit, niet alleen op het land,
maar ook in het water en in de lucht. Sommige reptielen besloten terug te gaan
naar het water, misschien omdat ze daar meer voedsel konden vinden. Een
voorbeeld hiervan zijn de ichthyosauriërs. De vliegende reptielen, de zgn.
pterosauriërs, ontwikkelden soorten die een vleugelspanwijdte van 12 m konden
bereiken, zo groot als een zweefvliegtuig. De moderne vogels zijn echter niet uit
de vliegende reptielen ontstaan, maar uit landreptielen, waarschijnlijk
dinosauriërs. De pterosauriërs en de vogels, die voor het eerst in het Jura
verschenen, deelden samen nog bijna 100 miljoen jaar het luchtruim.
In het Boven-Trias ontstonden de
dinosauriërs. Het verschil met andere reptielen is dat bij hen de poten recht
onder het lichaam staan, en niet meer opzij. Hierdoor werd de pas efficiënter,
en kon een groter lichaamsgewicht worden gedragen.
In dezelfde periode ontwikkelden
zich nu ook de eerste echte zoogdieren, die nu ook jongen ter wereld brengen
die in de baarmoeder zijn opgegroeid. Het voordeel daarvan is dat de jongen bij
de geboorte al behoorlijk groot en sterk zijn. De zoogdieren blijven echter
onder de heerschappij van de dino’s maar klein en komen pas na het uitsterven
van de grote reptielen tot bloei.
Aan het eind van het Trias is er
weer een uitstervingsgolf, deze keer niet zo groot. Echter, vooral de
ammonieten, de reptielen en amfibieën op het land moeten sterk inboeten.
Jura (200 mln jr – 145 mln jr)
(Camarasaurus)
(Utah Raptor)
Pangaea
begint langzaam uit elkaar te vallen en nieuwe continenten ontstaan. Het
huidige Noord-Amerika maakt zich van Eurazië los, waardoor de Atlantische
Oceaan ontstaat. Het algehele klimaat is zo warm, dat de polen ijsvrij zijn.
Waarschijnlijk onder druk van de
dinosauriërs besluiten nog meer reptielen terug naar zee te gaan, waaruit o.a.
de plesiosauriërs ontstaan. De dino’s beginnen hun bloeitijd, en sommige
soorten konden wel meer dan 30 m lang worden.
In deze periode ontstonden de
vogels. Een groep kleine vleesetende reptielen, hoogstwaarschijnlijk dino’s,
heeft gereageerd op de prikkeling van het luchtruim, vermoedelijk omdat zich
daar inmiddels een rijke voedselbron had ontwikkeld in de vorm van ontelbare
soorten vliegende insecten. Het skelet werd opgebouwd uit lichte, met lucht
gevulde botten, reptielschubben veranderden in primitieve veren op lichaam en
staart, maar de klauwen bleven nog lang behouden om in bomen omhoog te klimmen.
Ze waren vermoedelijk niet in staat van de grond op te vliegen, maar konden
zich vanuit een boom glijdend wel over enige afstand in de lucht verplaatsen.
Het was daarna nog slechts een kwestie van tijd voordat ze de korte
glijbeweging wisten om te zetten in echte vleugelbewegingen en werkelijk gingen
vliegen.
Krijt (145 mln jr – 65 mln jr)
(Mosasaur)
Pangaea
valt nog verder uit elkaar, en ook Gondwana breekt in stukken. In het zuiden
leidt dit tot het ontstaan van Antarctica, in het zuid-oosten tot Australië,
India drijft naar het noorden en Zuid-Amerika naar het westen. Op het
noordelijk halfrond zijn er twee continenten: Aziamerika, bestaande uit het
latere Azië en westelijk Noord-Amerika, en Euramerika, dat later Europa en
oostelijk Noord-Amerika zal vormen.
Deze periode was de voorbode van
planten en dieren die voorbestemd waren het Mesozoïsche leven te vervangen. De
belangrijkste nieuwelingen waren de bloemdragende planten. Vele van de ons
bekende bomen en struiken verschenen in het Krijt. De dino’s maakten nog een
hoogtepunt door, maar tegen het einde van het Krijt zijn ze uitgestorven. Dit
was waarschijnlijk een geleidelijk proces, aangezien de plesiosauriërs en veel
andere zeereptielen al in het Midden-Krijt waren uitgestorven. Naast de dino’s
stierven ook de vliegende reptielen, enkele groepen beenvissen en de
overgebleven ammonieten uit. Tot de groepen die grotendeels ongedeerd bleven
behoorden hagedissen, slangen, krokodillen, zeeschildpadden, amfibieën,
zoogdieren, de meeste plantengroepen, tweekleppige schelpen en de vogels.
Eén van de eerste
uitstervingstheorieën stelde dat de samenstelling van de atmosfeer door een
hoge vulkanische activiteit veranderde. Dit zou vooral in het nadeel zijn van
de grote reptielen, maar in mindere mate voor de levendiger zoogdieren en
vogels. Zo’n 65 miljoen jaar geleden werden in India de zgn. Deccan Traps
gevormd. Gedurende een periode van tienduizenden jaren stroomde meer dan een
miljoen kubieke km lava uit de aarde. De hierbij vrijkomende gassen en vaste
deeltjes moeten het klimaat flink hebben verstoord.
Een andere theorie zegt dat een
grote meteoriet op aarde is gestort, of meerdere kleine binnen een tijdsbestek
van een paar jaar, waarbij zo veel stof in de atmosfeer terechtkwam dat het
zonlicht geblokkeerd werd, de planten geen fotosynthese meer konden bewerken,
en er extreem koude jaren volgden. Voor deze theorie spreekt de hoeveelheid
iridium die gevonden wordt in gesteenten die de grens van Krijt naar Tertiair
(de zgn. K-T grens) markeren. Iridium is een metaal dat maar in kleine
hoeveelheden in de aardkorst voorkomt, maar in meteorieten een belangrijk
bestanddeel vormt.
Waarschijnlijk zijn meerdere
tegelijk of vlak na elkaar optredende rampen de oorzaak geweest. Feit is dat de
dino’s opgevolgd werden door de zoogdieren, die, hoewel in vele opzichten beter
aangepast, onder het juk van de grote reptielen in het verdomhoekje hadden
gezeten. Zij vulden de lege ruimten snel in, en zagen in de volgende perioden
hun kans schoon tot een explosieve ontwikkeling.
Het einde van het Krijt is tevens
het einde van het Mesozoïcum. De nieuwe periode die begint met het Tertiair
heet Kenozoïcum (‘nieuw leven’)
Tertiair
Paleoceen
(65 mln jr – 56 mln jr)
Eoceen
(56 mln jr – 34 mln jr)
Oligoceen
(34 mln jr – 23 mln jr)
Mioceen
(23 mln jr – 5,3 mln jr)
Plioceen
(5,3 mln jr – 2,6 mln jr).
Paleocene Lepidotus

Eocene Dilpomystus (& Knigthia)

Oligocene Dapalis macrurus

Miocene M. Megalodon

Pliocene Hipparion

De
continenten krijgen hun recente uiterlijk en ligging, hoewel Europa en
Noord-Amerika in het begin nog met een landbrug in verbinding staan, waardoor
vooral zoogdieren zich op beide continenten mengen. Dit gebeurt aan het eind
van het Tertiair ook in Noord- en Zuid-Amerika, wanneer deze continenten met
elkaar in contact komen.
De meeste niet-dinosaurische
reptielen – hagedissen, slangen, schildpadden, en krokodillen – overleefden het
uitsterven zonder dat zich in het fossiele materiaal een plotselinge
verandering voordoet. Maar ondanks het feit dat zij een kans kregen om te
profiteren van de ondergang van de dino’s, grepen zij die kans niet. De dieren
die na het Krijt werkelijk gedijden, waren de zoogdieren en vogels.
Zoogdieren en vogels hebben een
aantal kenmerken gemeen. Het opmerkelijkste is dat het zeer intelligente en
vindingrijke dieren zijn, met het vermogen om van hun ervaringen te leren. Ze
werken geregeld samen, waarbij ze zich groeperen in kudden of zwermen die in
sommige opzichten de karakteristieken hebben van één groot superorganisme. En
ze zijn natuurlijk warmbloedig: ze produceren hun eigen lichaamswarmte,
waardoor ze niet afhankelijk van de uitwendige milieuomstandigheden zijn. Ze
kunnen leven in verschillende koudere omgevingen die voor koudbloedigen als
reptielen, die pas actief worden als ze door de zon zijn opgewarmd,
onbewoonbaar blijven.
Het Paleoceen markeert de tijd van de verbreiding van de zoogdieren. De
soorten dieren die in de fossielenafzettingen uit deze tijd gevonden worden,
omvatten een scala van betrekkelijk kleine zoogdieren: kleine insecteneters en
enkele heel vroege primaten (aapachtigen). In het Boven-Paleoceen verschenen de
eerste grote golven herbivore zoogdieren. De vleesetende zoogdieren zijn nog
klein. De plaats van de grote carnivoren wordt ingenomen door enkele ongewoon
grote loopvogels (tot drie m hoog). Ze hadden sterke renpoten, kleine,
functieloze vleugels, en grote koppen met een forse haaksnavel. Ongeveer 40
miljoen jaar geleden begonnen de hond- en katachtigen op te komen, en de grote
looproofvogels stierven langzaam uit.
In het Eoceen schuift India tegen Azië aan, waardoor het Himalaya-gebergte
wordt gevormd. Australië maakt zich los van Antarctica en drijft naar het
noorden. Vanaf deze periode begonnen de zoogdieren de belangrijkste rol in het
leven op aarde te spelen. Niet alleen kregen ze vaste voet in alle belangrijke
ecosystemen op het land, ze keerden ook weer terug naar de zeeën (walvissen en
dolfijnen), en ze gingen de lucht in (vleermuizen).
Tijdens het Oligoceen bleef de geografie van de wereld veranderen. Europa
maakte zich los van Noord-Amerika, en op het zuidelijk halfrond vormde zich op
Antarctica een ijskap. De knaagdieren, zoals ratten, muizen, hamsters en
bevers, komen nu tot bloei. De grote planteneters brachten veel varianten
voort, waaronder soorten van vier m hoog. Ook de honden en katten (waaronder de
sabeltandkatten) vinden hier hun oorsprong.
In het Mioceen gaat de explosie van de zoogdierenfauna door. De met een
ijskap bedekte zuidpool breidt zich uit, waardoor het geleidelijk kouder werd.
De dichte regenwouden veranderen in open graslanden, die nog meer zoogdieren
konden voeden, zoals paarden, kamelen, herten, giraffen en olifantachtigen.
Vooral de hoefdieren profiteren van het feit dat de grassen in het Mioceen de
plantenwereld gaan domineren. In het begin van het Mioceen komt Africa in
aanraking met Eurazië, waardoor dieren van Eurazië naar Afrika kunnen trekken
(o.a. neushoorns) en andersom (o.a. olifanten).
In het begin van het Plioceen waren de omstandigheden door
de trend naar een koeler, droger klimaat ongeveer net als tegenwoordig. In die
tijd ontstonden ook de belangrijke vegetatietypen zoals we die nu kennen. Veel
gespecialiseerde soorten stierven uit en werden verdrongen door types met een
gemengd dieet, die zich beter aan plotselinge veranderingen konden aanpassen.
Halverwege het Plioceen komt
Zuid-Amerika in contact met Midden- en Noord-Amerika, waarna veel dieren uit
Zuid-Amerika naar het noorden trekken, maar ook andersom. Tot het Plioceen
kwamen in Zuid-Amerika veel buideldieren voor, die in het Plioceen worden
verdrongen door placentale zoogdieren uit Noord-Amerika. Tegenwoordig komen
buideldieren alleen nog veelvuldig voor in Australië.
De buideldieren ontstonden in het Boven-Krijt.
Ongeveer 65 miljoen jaar geleden trokken Zuid-Amerikaanse buideldieren via
Antarctica naar Australië, wat in het Eoceen langzaam noordwaarts dreef,
waardoor de Australische buideldieren zich, zonder concurrentie van placentale
zoogdieren, sterk konden ontwikkelen. Alleen vleermuizen bereikten Australië in
het Boven-Oligoceen, en knaagdieren in het Boven-Mioceen, beide via Indonesië.
Doordat Noord-, Midden- en
Zuid-Amerika nu met elkaar verbonden zijn, kunnen de warme stromen uit de
Atlantische Oceaan niet meer in de Grote Oceaan vloeien, maar worden ze naar
het noorden omgeleid. Hierdoor ontstaat de Golfstroom, en is de gemiddelde
temperatuur in Europa in de laatste drie miljoen jaar iets hoger geworden.
Kwartair
Pleistoceen
(2,6 mln jr – 10.000 jr)
(Mammuthus) 
(Mastodont)
Holoceen
(10.000 jr – recent)
Het
Pleistoceen kenmerkt zich door ten
minste vijf belangrijke ijstijden, waarin de ijskappen zich zuidwaarts
uitbreiden in de vorm van enorme gletsjers. Het algehele klimaat was zo koud dat
in het noorden sneeuw niet meer smolt. Een groot deel van noordelijk Europa,
Azië en Noord-Amerika was met ijs bedekt. Het gevolg was dat het klimaat in de
hele wereld radicaal veranderde. Tussen de ijstijden door waren er echter weer
warme, soms subtropische tijden.
De IJstijd is eigenlijk een periode
die 2,6 miljoen jaar geleden begon en waarin de gemiddelde temperatuur een paar
graden lager is dan voorheen. Koude periodes (ijstijden of glacialen, die soms
100.000 jaar duurden) worden afgewisseld door warme periodes (interglacialen).
We bevinden ons nu in een interglaciaal, maar een nieuwe ijstijd zou elk moment
weer kunnen beginnen.
Hoe ijstijden (maar ook opvallend warme tijden)
ontstaan is niet met zekerheid te zeggen. Maar hoogstwaarschijnlijk zijn een
aantal natuurverschijnselen de oorzaak. Eén van deze is het feit dat de as van
de aarde schommelt a.g.v. de aantrekkingskracht van de zon en maan, waardoor
vooral de noordpool minder/meer licht dan normaal ontvangt. Ook is de
omloopcirkel van de aarde om de zon niet altijd perfect rond, maar verandert
deze in de loop van duizenden jaren van rond naar elliptisch. Andere theorieën
gaan uit van het feit dat de continenten in beweging zijn, waardoor bijv.
bergketens die ontstaan als delen ‘botsen’ leiden tot uitgebreide gletsjers, of
dat warme en koude zeestromen van richting veranderen en zo het wereldwijde
klimaat beïnvloeden.
De meest recente ijstijd eindigde ongeveer 10.000
jaar geleden. In die tijd stierven veel grote zoogdieren uit, zoals de mammoet
en mastodont, reuzenhert, reuzenluiaard, wolharige neushoorn en sabeltandkat.
Deze uitstervingen zijn waarschijnlijk ten eerste het gevolg van de
verspreiding van de mensenpopulaties over de hele wereld die op deze dieren
jaagden, en ten tweede van de temperatuursstijging. Als het klimaat verandert,
verandert ook de vegetatie en wordt het voedsel dat dieren gewend zijn te eten
schaarser. Grote dieren zijn dan kwetsbaarder omdat ze nu eenmaal veel meer
moeten eten dan een klein dier. Ook is de draagtijd bij grote zoogdieren
langer. Na periodes van sterfte kan het dan zeer moeilijk zijn om snel genoeg
weer een voldoende grote populatie op te bouwen.
De moderne mens behoort tot de groep
zoogdieren die we kennen als primaten. Er zijn ongeveer 200 levende soorten, en
zijn in wezen boombewonende dieren. Ze worden gekenmerkt door behendigheid
(grote bewegingsmogelijkheid in armen en benen, en een grijphand),
intelligentie, en ouderlijke zorg.
De oorsprong van de grote mensapen
ligt in het Mioceen, in Afrika. Tegen het einde van het Mioceen zijn ze over
Europa en Azië uitgezworven. De algemene opvatting is dat de mensaap zich
tussen zeven en vijf miljoen jaar geleden van de apen afscheidde en rechtop
ging lopen, waarschijnlijk door het terugtrekken van de tropische wouden en het
ontstaan van open vlakten. Door de rechtopgaande houding konden ze langere
passen nemen en roofdieren of een mogelijke buit of voedsel eerder waarnemen.
Bovendien kwamen nu de handen vrij, die gebruikt konden worden om kinderen,
voedsel en wapens te dragen.
Mensapen die rechtop lopen en
(daardoor) hun handen kunnen gebruiken worden Hominiden genoemd. De oudste
Hominide is Australopithecus, die ongeveer vier miljoen jaar geleden in Afrika
ontstond. Uit het Onder-Pleistoceen van Afrika stammen de eerste fossielen van
Homo habilis, de eerste mens, die uit Australopithecus ontstond. Daaruit
ontwikkelde zich op zijn beurt ongeveer 1,9 miljoen jaar geleden in Afrika Homo
erectus (‘rechtopgaande mens’). Vanaf ongeveer twee miljoen jaar geleden wordt
hij ook in andere delen van de wereld gevonden. Hij bereikte China en Java
omstreeks 1,7 miljoen jaar geleden, en Europa 800.000 jaar geleden. Uit Homo
erectus ontwikkelde zich ongeveer 160.000 jaar geleden in Oost-Afrika de
moderne mens, Homo sapiens. Daaruit
ontstonden weer ondersoorten, waaronder de Neanderthaler, die leefde van ten
minste 500.000 tot 30.000 jaar geleden.
Uit Homo sapiens heeft zich 100.000 jaar geleden in
Afrika de huidige mens, Homo sapiens sapiens, afgescheiden. Homo sapiens
sapiens is de voorouder van alle mensen op aarde. Ook hij verspreidde zich over
de continenten, en onder invloed van klimaat en omstandigheden ontstonden
verschillende vormen. Een daarvan was de Cro-Magnon, die ongeveer 40.000 jaar
geleden Europa binnentrok. In de 10.000 jaar die daarop volgden, verdrongen ze
de Neanderthaler. De Cro-Magnon is de voorouder van de moderne Europeanen.
(Ursus arctos)

Het
Holoceen ontstond na de laatste
ijstijd. In deze periode begon de landbouw op te komen. De bekwaamheid van de
mens om ecosystemen te manipuleren begon op dat tijdstip. In de stabiele
gemeenschappen die van landbouwprodukten konden leven, begon een
beschavingsproces dat resulteerde in een steeds snellere ontwikkeling van
biologische manipulatie en technologie. Eerst werden eenvoudige werktuigen
uitgedacht om de landbouwtechnieken te verbeteren. Dieren werden getemd en
gebruikt om het land te bewerken en om voedsel en kleding te leveren. De
concentraties van sociale groepen mensen deden ook een grotere complexiteit van
interactie ontstaan, en de ontwikkeling van gespecialiseerde vaardigheden
binnen de gemeenschap; vaardigheden die vervolgens ‘verkocht’ konden worden in
ruil voor levensnoodzakelijke dingen. De vestiging van stabiele
levensgemeenschappen leidde tot stadjes en steden, en uiteindelijk tot
nationale staten. Vanaf dat moment heeft de bevolking wereldwijd een steile
toename gekend, en de technologische vooruitgang heeft zich met een geologisch
gezien adembenemende snelheid voorgedaan. De mensen domineren de planeet op een
ongeëvenaarde manier.
